ECLI:NL:HR:2011:BO6770
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Niet-aftrekbaarheid van doorbelaste Europese mededingingsboete in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, onderdeel van een concern dat door de Europese Commissie een kartelboete kreeg opgelegd, betwistte de niet-aftrekbaarheid van het doorbelaste deel van deze boete in de Nederlandse vennootschapsbelasting. Na vernietiging van de aanslag door de rechtbank en herziening door het hof, werd het geschil uiteindelijk aan de Hoge Raad voorgelegd.
De Hoge Raad bevestigde dat op grond van artikel 3.14, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 de aftrek van een mededingingsboete opgelegd door een Europese instelling is uitgesloten. Dit geldt ook voor het doorbelaste deel van de boete, ongeacht dat de boete oorspronkelijk aan een andere vennootschap binnen het concern was opgelegd.
De Raad overwoog dat de dubbele niet-aftrekbaarheid niet in strijd is met het unierecht, mede gelet op arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De bestraffende aard van de boete en het ontbreken van een afzonderlijk ontnemingsdeel maakten aftrek niet mogelijk. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de niet-aftrekbaarheid van het doorbelaste deel van de Europese mededingingsboete bevestigd.