ECLI:NL:HR:2011:BO7527

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02906
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 FaillissementswetArt. 243 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling faillissementsrechtelijke betalingsonmacht en bewijslastverdeling

In deze zaak stond centraal of de schuldenaar in de toestand verkeerde dat hij is opgehouden te betalen zoals bedoeld in artikel 1 van Pro de Faillissementswet. De verzoekers tot cassatie stelden dat dit het geval was, maar de feiten en omstandigheden waren niet summierlijk gebleken om dit te onderbouwen.

De rechtbank Rotterdam en het gerechtshof te 's-Gravenhage hadden eerder geoordeeld dat onvoldoende was aangetoond dat de schuldenaar niet meer betaalde en dat dwangsommen waren verbeurd. De Hoge Raad bevestigde deze beoordeling en wees op de bewijslastverdeling, waarbij de gemotiveerde betwisting van de schuldenaar doorslaggevend was.

De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het cassatieberoep werd gevolgd. De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde de verzoekers tot cassatie in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat de voorwaarden voor faillissement niet waren vervuld op basis van de aangevoerde feiten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens onvoldoende bewijs dat de schuldenaar is opgehouden te betalen.

Uitspraak

21 januari 2011
Eerste Kamer
10/02906
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
1. [Verzoeker 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verzoekster 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. H.F.C. Kuijpers,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
2. [Verweerster 2],
beiden zonder bekende woon- of verblijfplaats,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
Verzoekers tot cassatie zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] c.s. Verweerders in cassatie zullen hierna ook worden aangeduid als [verweerder] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 346471/FT-RK 10.19 van de rechtbank Rotterdam van 13 april 2010,
b. de beslissing in de zaak 200.063.600/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 juli 2010.
De beslissing van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beslissing van het hof hebben [verzoeker] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] c.s. hebben verzocht het beroep te verwerpen.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten falen op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [verzoeker] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op 2.185,34 in totaal, waarvan € 2.106,84 op de voet van art. 243 Rv Pro. te voldoen aan de Griffier, en € 78,50 te voldoen aan [verweerder] c.s.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 21 januari 2011.