ECLI:NL:HR:2011:BO9615
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot ontheffing uit ouderlijk gezag en hoorplicht minderjarige
In deze zaak stond het verzoek tot ontheffing uit het ouderlijk gezag centraal, waarbij de wettelijke maatstaf van artikel 1:268 lid Pro 2, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) werd toegepast. De moeder, verzoekster tot cassatie, was het niet eens met de beslissingen van de rechtbank Assen en het gerechtshof te Leeuwarden.
De Raad voor de Kinderbescherming trad op als verweerder in cassatie maar heeft geen verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft de aangevoerde klachten onderzocht en geoordeeld dat deze niet leiden tot cassatie, mede omdat er geen noodzaak was tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad bevestigde dat de plicht om de betrokken minderjarige te horen, zoals bedoeld in artikel 809 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), niet was geschonden. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de eerdere beslissingen in stand bleven.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eerdere beslissingen blijven in stand.