ECLI:NL:HR:2011:BP0770
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
In deze zaak beriep de verdachte zich op overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM tijdens de cassatiefase. De stukken van het geding werden namelijk te laat door het hof aan de Hoge Raad ingezonden, waardoor de wettelijk gestelde inzendtermijn van zes maanden werd overschreden.
De Hoge Raad stelde vast dat de verdachte ten tijde van het instellen van het cassatieberoep gedetineerd was. Het beroep werd ingesteld op 14 april 2009, maar de stukken kwamen pas op 11 november 2009 aan bij de griffie van de Hoge Raad. Dit leidde tot de conclusie dat de redelijke termijn was overschreden.
Als gevolg hiervan werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd van vier jaar naar drie jaar en elf maanden. De overige middelen van cassatie werden verworpen, en de Hoge Raad vond geen aanleiding tot verdere vernietiging van het bestreden arrest.
De uitspraak werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en op 22 maart 2011 uitgesproken. De zaak benadrukt het belang van tijdige inzending van processtukken in cassatieprocedures, zeker wanneer de verdachte gedetineerd is.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van vier jaar naar drie jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.