ECLI:NL:HR:2011:BP1477

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03243
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:179 BWArt. 6:181 BWArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voor schade door paard in manege en vrijwaringsvordering

In deze zaak staat de vraag centraal wie aansprakelijk is voor de schade die een minderjarige opliep door een trap van een paard in een manege. Het paard was eigendom van de verweerder en stond tegen betaling ter belering in de manege van eiseres, een vennootschap onder firma.

De ouders van het slachtoffer vorderden schadevergoeding van de eigenaar van het paard. De eigenaar riep vervolgens de manegehouder in vrijwaring, stellende dat de aansprakelijkheid op de manege rustte omdat het dier in het kader van haar bedrijf werd gebruikt. De rechtbank oordeelde dat de risicoaansprakelijkheid op grond van artikel 6:179 BW Pro niet bij de eigenaar, maar bij de manegehouder lag, en wees de vordering tegen de manegehouder toe.

Het hof bevestigde dit oordeel en stelde dat het niet relevant is of de manegehouder de bezitter of houder van het dier is, noch of het dier duurzaam en ten eigen nutte wordt gebruikt. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de manegehouder en bevestigt dat de aansprakelijkheid rust op degene die het bedrijf uitoefent waarin het dier wordt gebruikt. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de eiser tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de risicoaansprakelijkheid voor de schade aan het paard rust op de manegehouder.

Uitspraak

1 april 2011
Eerste Kamer
09/03243
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiseres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [Eiser 2],
3. [Eiseres 3],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaten:mr. J. van Duijvendijk-Brand en mr. M.E.M.G. Peletier,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk.
Eisers zullen hierna ook in enkelvoud worden aangeduid als [eiser] en verweerder als [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 83603/HA ZA 02-1334 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 september 2004 en
13 juli 2005;
b. de tussenarresten in de zaak HD 103.002.737 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 23 december 2008 en 12 mei 2009.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door hun advocaat en voor [verweerder] door mr. M.V.E.E. Jansen namens mr. M.J. Schenck, beiden advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 11 februari 2011 op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 De Hoge Raad verwijst voor de in deze zaak vaststaande feiten naar zijn heden onder rolnummer 09/03245 uitgesproken arrest in de zaak tussen [betrokkene 1] en [verweerder] (hierna ook: de hoofdzaak). Kort samengevat komen deze feiten erop neer dat op 29 juli 1997 de toen 10 jaar oude [betrokkene 1] ernstig gewond raakte doordat zij in haar gezicht werd getrapt door een paard (hierna ook: het ongeval). Zij heeft daardoor schade geleden (hierna: de schade). Het paard, genaamd Loretta, was eigendom van [verweerder]. Het ongeval vond plaats in de manege van de vennootschap onder firma [eiseres 1] te [plaats]. Het paard was sedert juni 1997 tegen betaling in de manege ondergebracht ter belering.
3.2.1 In de hoofdzaak hebben de ouders van de toen nog minderjarige [betrokkene 1], optredend als formele procespartij namens hun dochter, van [verweerder] als eigenaar-bezitter van het paard vergoeding gevorderd van de schade, voorshands begroot op ƒ 213.503,83.
3.2.2 In het onderhavige geding heeft [verweerder] de vennootschap onder firma [eiseres 1] opgeroepen in vrijwaring (hierna ook: de vrijwaringszaak). [Verweerder] heeft betaling gevorderd van al hetgeen waartoe hij in de hoofdzaak zal worden veroordeeld. [Eiser] heeft verweer gevoerd.
3.2.3 In de hoofdzaak heeft de rechtbank geoordeeld dat de risicoaansprakelijkheid van art. 6:179 BW Pro niet op [verweerder], maar op [eiser] rustte omdat deze ten tijde van het ongeval het paard gebruikte in de uitoefening van haar bedrijf. De rechtbank achtte de vordering tegen [verweerder] wel toewijsbaar op de voet van de mede aan de vordering ten grondslag gelegde overeenkomst tussen (de ouders van) [betrokkene 1], [verweerder] en diens aansprakelijkheidsverzekeraar, VVAA.
3.2.4 In de vrijwaringszaak heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering van [betrokkene 1] op [eiser] rechtsgeldig is gecedeerd aan [verweerder]. De rechtbank achtte de vordering op deze grondslag toewijsbaar. Zij veroordeelde [eiser] daarom tot betaling aan [verweerder] van de schade die [betrokkene 1] en haar ouders hebben geleden, en nog zullen lijden, als gevolg van het ongeval.
3.2.5 De inmiddels meerderjarig geworden [betrokkene 1] is van het vonnis in de hoofdzaak in hoger beroep gegaan voor zover de rechtbank niet de volledige door haar (ouders) gevorderde schade heeft toegewezen. [Verweerder] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank dat hij aansprakelijk is voor de schade. Voorts heeft [eiser] zelfstandig geappelleerd in de vrijwaringszaak. Het hof heeft de hoofdzaak en de vrijwaringszaak gevoegd.
3.2.6 Het hof heeft in zijn tussenarrest van 23 december 2008 in de hoofdzaak mét de rechtbank geoordeeld dat [verweerder] niet op de voet van art. 6:179 BW Pro tegenover [betrokkene 1] aansprakelijk is, omdat ingevolge art. 6:181 BW Pro de in art. 6:179 bedoelde Pro risico-aansprakelijkheid is komen te rusten op [eiser] (rov. 7.3.2).
In het incidentele beroep oordeelde het hof wat betreft de contractuele grondslag van de vordering, kort samengevat, dat de rechtbank een te ruime uitleg heeft gegeven aan de overeenkomst tussen [verweerder], VVAA en (de ouders van) [betrokkene 1] (rov. 7.3.6).
Het hof heeft vervolgens een comparitie gelast.
3.3 Voor zover de onderdelen A-C van het middel zakelijk gelijkluidend zijn aan die welke in de hoofdzaak zijn voorgedragen, falen zij op de in het arrest in de hoofdzaak vermelde gronden. Ook overigens kunnen deze onderdelen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 765,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op
1 april 2011.