ECLI:NL:HR:2011:BP1489
Hoge Raad
- Cassatie
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Uitleg begrip verbonden lichaam in vennootschapsbelasting bij zeggenschapsverhouding
In deze zaak stond centraal de uitleg van het begrip 'verbonden lichaam' in artikel 10a, lid 4, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Belanghebbende had voor het jaar 2004 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd gekregen die na bezwaar door de inspecteur werd gehandhaafd. De rechtbank vernietigde deze uitspraak en verminderde de aanslag, waarna belanghebbende in cassatie ging.
De kern van het geschil was of belanghebbende en D N.V. verbonden lichamen vormden, waarbij de vraag speelde of de zeggenschapsverhouding (stemrecht) relevant was voor het vaststellen van een belang van ten minste een derde. De rechtbank oordeelde dat het financiële belang doorslaggevend was en dat het stemrecht van minder dan een derde niet aan verbondenheid afdeed.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg, verwijzend naar de parlementaire geschiedenis waarin is beoogd de reikwijdte van verbonden lichamen te verruimen door niet alleen het financiële belang, maar ook het zeggenschapsbelang mee te wegen. Echter, een financieel belang van ten minste een derde leidt ook zonder een derde deel van het stemrecht tot verbondenheid. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.