ECLI:NL:HR:2011:BP1489

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00651
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a lid 4 Wet Vpb 1969Art. 15ad lid 1 Wet Vpb 1969
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg begrip verbonden lichaam in vennootschapsbelasting bij zeggenschapsverhouding

In deze zaak stond centraal de uitleg van het begrip 'verbonden lichaam' in artikel 10a, lid 4, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Belanghebbende had voor het jaar 2004 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd gekregen die na bezwaar door de inspecteur werd gehandhaafd. De rechtbank vernietigde deze uitspraak en verminderde de aanslag, waarna belanghebbende in cassatie ging.

De kern van het geschil was of belanghebbende en D N.V. verbonden lichamen vormden, waarbij de vraag speelde of de zeggenschapsverhouding (stemrecht) relevant was voor het vaststellen van een belang van ten minste een derde. De rechtbank oordeelde dat het financiële belang doorslaggevend was en dat het stemrecht van minder dan een derde niet aan verbondenheid afdeed.

De Hoge Raad bevestigde deze uitleg, verwijzend naar de parlementaire geschiedenis waarin is beoogd de reikwijdte van verbonden lichamen te verruimen door niet alleen het financiële belang, maar ook het zeggenschapsbelang mee te wegen. Echter, een financieel belang van ten minste een derde leidt ook zonder een derde deel van het stemrecht tot verbondenheid. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

Nr. 10/00651
8 april 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Arnhem van 26 januari 2010, nr. AWB 08/3331, betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 14 december 2010 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en verwijzing van het geding. De Staatssecretaris van Financiën heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. D N.V., gevestigd te België, hield tot 23 december 2003 alle aandelen in belanghebbende. D N.V. was tot dat moment tevens enig aandeelhoudster van E N.V.
3.1.2. Het geplaatste en gestorte kapitaal van D N.V. bedroeg € 6.745.685,51. Het kapitaal werd vertegenwoordigd door 462.383.379 aandelen zonder nominale waarde. Gedurende het jaar 2004 waren de aandeelhouders van D N.V. (uitgedrukt in een percentage van het gestorte kapitaal) A (25 percent) en diens meerderjarige kinderen F (17 percent), G (17 percent) en H (41 percent). Op grond van de statuten kon een aandeelhouder niet meer dan tien stemrechten in de vergadering van aandeelhouders uitoefenen. Ten gevolge hiervan bezat ieder van de voormelde aandeelhouders 25 percent van de stemrechten in D N.V.
3.1.3. Op 31 december 2003 heeft D N.V. haar aandelen in belanghebbende verkocht aan de persoonlijke houdstervennootschappen van de hiervoor in 3.1.2 genoemde kinderen (hierna: de kinderen). De aandelen in belanghebbende zijn op hetzelfde moment gecertificeerd en worden sedertdien gehouden door de Stichting Administratiekantoor X. Het bestuur van die stichting werd vanaf de oprichtingsdatum gevormd door A en zijn echtgenote. Na de verkoop hield ieder van de kinderen middellijk een derde van de certificaten van aandelen in belanghebbende.
3.1.4. Belanghebbende heeft vervolgens op 31 december 2003 de aandelen E N.V. overgenomen van D N.V. De koopsom is belanghebbende schuldig gebleven aan D N.V.
3.1.5. Belanghebbende heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2004 een rentelast in aanmerking genomen ter zake van de hiervoor in 3.1.4 bedoelde schuld aan D N.V. De Inspecteur heeft dit met een beroep op het bepaalde in artikel 15ad, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2004; hierna: de Wet) niet toegestaan.
3.2. Voor de Rechtbank was, voor zover in cassatie van belang, in geschil of belanghebbende en D N.V. met elkaar verbonden lichamen in de zin van artikel 10a, lid 4, letter c, van de Wet vormen.
De Rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord en geoordeeld dat H door middel van de door haar (middellijk) gehouden (certificaten van) aandelen in belanghebbende en in D N.V. een financieel belang in beide vennootschappen had van ten minste een derde gedeelte en dat in een dergelijk geval altijd is voldaan aan de in het vorenbedoelde letteronderdeel c gestelde voorwaarden. De Rechtbank heeft voorts geoordeeld dat daaraan niet afdoet dat H in beide vennootschappen een stemrecht van minder dan een derde gedeelte had.
Het middel richt zich tegen deze oordelen.
3.3.1. De in artikel 10a, lid 4, van de Wet opgenomen definitie van het begrip verbonden lichaam was voorheen opgenomen in artikel 13b, lid 6, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zoals dat artikel luidde tot en met 23 december 1996. Uit de passages uit de parlementaire geschiedenis, zoals door de Rechtbank aangehaald in onderdeel 4.3 van haar uitspraak, blijkt dat de wetgever met de introductie van het criterium 'ten minste een derde gedeelte belang' heeft beoogd de reikwijdte van het begrip verbonden lichamen te verruimen door daarvoor niet langer alleen het aandeel in het gestorte kapitaal (het financiële belang) beslissend te laten zijn, maar ook betekenis toe te kennen aan het aandeel in het geplaatste kapitaal (de mate van invloed door stemrecht; het zeggenschapsbelang).
Anders dan het middel in wezen betoogt kan aan deze wetsgeschiedenis niet een argument worden ontleend dat een direct of indirect aandeel van ten minste een derde in het gestorte kapitaal - vertegenwoordigend een derde gedeelte van het financiële belang - anders dan voorheen niet tot verbondenheid leidt indien niet ook ten minste een derde van de stemrechten wordt gehouden.
3.3.2. Het hiervoor in 3.3.1 overwogene brengt mee dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval, waarin vaststaat dat H ten minste (middellijk) een derde gedeelte van de (certificaten van) aandelen in zowel belanghebbende als D N.V. hield, sprake is van een verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, lid 4, van de Wet. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C.B. Bavinck als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis, J.A.C.A. Overgaauw, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2011.
De voorzitter is verhinderd het arrest te ondertekenen. In verband daarmee is het arrest ondertekend door mr. P.M.F. van Loon.