ECLI:NL:HR:2011:BP2338
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep wegens onvoldoende onderbouwing dagvaarding betekening
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verstek tegen hem was verleend in hoger beroep. Het hof had geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig was betekend, ondanks dat de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland had en was vertrokken naar Suriname.
De verdachte klaagde dat het hof onvoldoende had onderzocht of de dagvaarding aan alle bekende en opgegeven adressen was betekend. De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht niet voldeed aan de eisen van een middel van cassatie, omdat niet duidelijk werd gemaakt waarom het oordeel van het hof onbegrijpelijk zou zijn of nader gemotiveerd had moeten worden.
De overige middelen van cassatie konden niet tot cassatie leiden en behoefden geen nadere motivering. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee het arrest van het hof en de rechtsgeldigheid van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen wegens onvoldoende onderbouwing van de klacht over de betekening van de dagvaarding.