ECLI:NL:HR:2011:BP3073
Hoge Raad
- Cassatie
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat opleggen nadere voorlopige aanslag tot negatief bedrag mogelijk is met vergoeding rentenadeel
In deze zaak ging het om een belanghebbende die voor het jaar 2007 een nadere voorlopige aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet opgelegd kreeg. Tegelijkertijd werd heffingsrente in rekening gebracht. Na bezwaar werd de beschikking inzake heffingsrente gehandhaafd door de Inspecteur. De Rechtbank te Breda verklaarde het beroep tegen dit besluit gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en verminderde de in rekening gebrachte heffingsrente.
De Inspecteur stelde hiertegen hoger beroep in bij het Hof, dat de uitspraak van de Rechtbank bevestigde. Vervolgens stelde de Minister van Financiën beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal concludeerde tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De Hoge Raad oordeelde dat het opleggen van een nadere voorlopige aanslag tot een negatief bedrag mogelijk is en dat de keuze daartoe aan de inspecteur is. Het rentenadeel dat door deze keuze ontstaat, moet worden vergoed op grond van het evenredigheidsbeginsel. De middelen van het cassatieberoep faalden, waarna het beroep in cassatie ongegrond werd verklaard.
De Hoge Raad wees geen proceskosten toe en legde een griffierecht op aan de Staat. Dit arrest bevestigt de rechtspraak omtrent de mogelijkheid van negatieve voorlopige aanslagen en de vergoeding van het rentenadeel.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Minister van Financiën wordt ongegrond verklaard en het hofarrest bevestigd.