ECLI:NL:HR:2011:BP3080
Hoge Raad
- Cassatie
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en belangenafweging bij nadere voorlopige aanslag met negatief bedrag in belastingrecht
In deze zaak stond de vraag centraal of de inspecteur bevoegd is een nadere voorlopige aanslag op te leggen tot een negatief bedrag en hoe het evenredigheidsbeginsel zich verhoudt tot de keuze tussen het opleggen van een nadere voorlopige aanslag of het verminderen van een voorlopige aanslag.
Belanghebbende had voor het jaar 2006 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting opgelegd gekregen, die later ambtshalve werd verminderd. De inspecteur koos voor vermindering in plaats van het opleggen van een nadere voorlopige aanslag, wat leidde tot een rentenadeel voor belanghebbende. Het hof oordeelde dat de inspecteur hiermee in strijd handelde met het evenredigheidsbeginsel en paste de heffingsrente aan alsof een nadere voorlopige aanslag was opgelegd.
De Hoge Raad bevestigde dat de wet het opleggen van een nadere voorlopige aanslag tot een negatief bedrag niet uitsluit en dat de inspecteur een keuzevrijheid heeft tussen vermindering en nadere aanslag. Echter, bij vermindering moet de inspecteur het rentenadeel van belanghebbende compenseren om onevenredige benadeling te voorkomen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de Minister van Financiën en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee het arrest van het hof werd bekrachtigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Minister van Financiën ongegrond en bevestigt dat de inspecteur bevoegd is een nadere voorlopige aanslag tot een negatief bedrag op te leggen en bij vermindering het rentenadeel moet compenseren.