ECLI:NL:HR:2011:BP5648
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Toepassing terbeschikkingstellingsregeling bij blote economische eigendom van onroerende zaken
Belanghebbende verwierf in 1997 en 1998 de blote economische eigendom van vier onroerende zaken van besloten vennootschappen waarin hij een aanmerkelijk belang had. De vennootschappen hielden het vruchtgebruik voor een periode van twintig jaar en waren tevens de juridische eigenaren die het risico van tenietgaan droegen. De onroerende zaken werden door de vennootschappen gebruikt.
De Inspecteur legde voor het jaar 2001 een aanslag inkomstenbelasting op die na bezwaar werd verminderd. De Rechtbank verklaarde het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur ongegrond en oordeelde dat sprake was van terbeschikkingstelling in de zin van artikel 3.92, lid 1, aanhef en letter a, Wet IB 2001. De Rechtbank motiveerde dat het begrip ter beschikking stellen ruim moet worden uitgelegd, ook in situaties waarin de vennootschap het vruchtgebruik houdt en de aanmerkelijkbelanghouder de blote eigendom.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De ruime uitleg van het begrip ter beschikking stellen voorkomt ongewenste belastingarbitrage waarbij winstbestanddelen onbedoeld kunnen worden omgezet in inkomen uit sparen en beleggen. De Hoge Raad vond geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de terbeschikkingstellingsregeling is van toepassing op de blote economische eigendom van onroerende zaken.