ECLI:NL:HR:2011:BP5707
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Beoordeling objectieve voordeelsverwachting bij muzikale activiteiten voor inkomstenbelasting
Belanghebbende, die in 2005 onder een artiestennaam muzikale optredens verzorgde, kreeg een aanslag inkomstenbelasting opgelegd die na bezwaar en beroep werd gehandhaafd. De kern van het geschil was of zijn muzikale activiteiten in 2005 een bron van inkomen vormden, specifiek of er sprake was van een objectieve voordeelsverwachting.
Het Hof oordeelde dat redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat de activiteiten positieve opbrengsten zouden opleveren, mede omdat kosten de opbrengsten in 2005-2008 overtroffen en in 2009 geen optredens plaatsvonden. Belanghebbende voerde aan dat het Hof onterecht ook latere jaren had meegewogen en een te korte termijn hanteerde.
De Hoge Raad stelde dat de beoordeling primair op feiten van het betreffende jaar moet plaatsvinden, maar dat feiten van andere jaren licht kunnen werpen op de voordeelsverwachting en dus meegewogen mogen worden. Het oordeel van het Hof was niet onjuist en de klachten faalden. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat de muzikale activiteiten geen bron van inkomen vormden in 2005.