ECLI:NL:HR:2011:BP6019
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep in ontnemingszaak bij onbekende verblijfplaats betrokkene
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van een cassatieberoep centraal in een ontnemingsprocedure. Betrokkene had in hoger beroep een adres opgegeven dat later door een ander adres werd achterhaald, waardoor het eerste adres niet als feitelijke woon- of verblijfplaats kon worden aangemerkt. De aanzegging van het cassatieberoep werd rechtsgeldig betekend op 11 januari 2010, waarna de termijn van 60 dagen voor het indienen van middelen op 12 maart 2010 verstreek.
Betrokkene diende de middelen van cassatie pas op 15 maart 2010 in, waardoor de termijn niet werd nageleefd. De Hoge Raad oordeelde dat de aanzegging rechtsgeldig was en dat de termijn overschreden was, waardoor betrokkene niet-ontvankelijk moest worden verklaard in het cassatieberoep.
De zaak benadrukt het belang van correcte adresopgave en tijdige indiening van cassatiemiddelen, ook in situaties waarin de betrokkene geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. De Hoge Raad bevestigde hiermee eerdere jurisprudentie omtrent de ontvankelijkheid en de toepassing van art. 435 en Pro 437 Sv in ontnemingszaken.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van middelen.