ECLI:NL:HR:2011:BP8800
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatie tegen beslissing toepassing art. 38s Sr
In deze strafzaak heeft de veroordeelde beroep in cassatie ingesteld tegen een beslissing van de Rechtbank betreffende de toepassing van artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht. De beslissing van de Rechtbank was eerder bevestigd door de Penitentiaire Kamer van het Gerechtshof te Arnhem, die de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaarde in het hoger beroep.
De Hoge Raad heeft vervolgens het beroep in cassatie beoordeeld en geoordeeld dat op grond van artikel 509gg, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, beroep in cassatie tegen een dergelijke beslissing niet mogelijk is. Hierdoor kon de veroordeelde niet ontvankelijk worden verklaard in zijn cassatieberoep.
De uitspraak is gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 26 april 2011, waarbij de vice-president F.H. Koster als voorzitter en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth het arrest hebben gewezen. De Hoge Raad bevestigt hiermee de onmogelijkheid van cassatie tegen beslissingen over de toepassing van art. 38s Sr.
Uitkomst: De veroordeelde is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens uitsluiting van cassatie tegen de beslissing over art. 38s Sr.