ECLI:NL:HR:2011:BP9415
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens ontbreken schriftuur houdende middelen
Op 21 juni 2011 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 januari 2010. De verdachte, zonder bekende woon- of verblijfplaats, had het beroep ingesteld maar geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn.
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd dat verdachte niet-ontvankelijk verklaard moest worden. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel, stellende dat het niet indienen van schriftuur houdende middelen binnen de termijn een schending is van artikel 437, tweede lid, Sv.
Daarmee kon verdachte niet in het beroep worden ontvangen en werd hij niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest werd gewezen door vice-president Koster als voorzitter, samen met raadsheren Thomassen en Sterk, en uitgesproken in aanwezigheid van de waarnemend griffier Rusche.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van schriftuur houdende middelen binnen de wettelijke termijn.