ECLI:NL:HR:2011:BQ1128
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid en bevoegdheid verzoek intrekking voorlopige surseance bij faillietverklaring
In deze zaak stond centraal de vraag of het verzoek tot intrekking van een voorlopige surseance van betaling onder gelijktijdige faillietverklaring ontvankelijk en bevoegd was. Agrenco, de verzoekster tot cassatie, stelde dat het gerechtshof ten onrechte haar verzoek niet ontvankelijk en bevoegd had verklaard.
De feiten betreffen een procedure waarin het gerechtshof Amsterdam op 21 december 2010 een arrest heeft gewezen, waarbij het verzoek van Agrenco werd afgewezen. Agrenco stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 mei 2011 het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was, omdat de klachten niet leidden tot rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Hiermee bevestigde de Hoge Raad het oordeel van het gerechtshof dat het verzoek tot intrekking van de voorlopige surseance onder gelijktijdige faillietverklaring niet ontvankelijk en bevoegd was. De uitspraak is gedaan door de raadsheren van Buchem-Spapens, van Oven, van Schendel en in het openbaar door Numann.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het verzoek tot intrekking van de voorlopige surseance onder gelijktijdige faillietverklaring niet ontvankelijk en bevoegd was.