ECLI:NL:HR:2011:BQ1953
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen die niet klaagden over het oordeel van het hof dat de verdachte het tenlastegelegde tezamen en in vereniging met een ander had bekend, niet tot cassatie konden leiden. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.
Deze overschrijding leidde tot vermindering van de opgelegde straf tot 35 maanden gevangenisstraf, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De overige middelen werden verworpen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 28 juni 2011.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot 35 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens overschrijding van de redelijke termijn.