ECLI:NL:HR:2011:BQ2306

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/05412
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 401a RvArt. 426 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussenbeschikking in echtscheidings- en verdelingsprocedure

De zaak betreft een cassatieberoep van een vrouw tegen een beschikking van het hof Amsterdam in een gecombineerde echtscheidings- en verdelingsprocedure. De rechtbank had in één beschikking uitspraak gedaan over de echtscheiding en de verdeling van het huwelijksvermogen, waarbij de verdeling deels was aangehouden. De vrouw was het niet eens met het oordeel dat de aandelen van de man in een autobedrijf niet tot het te verrekenen vermogen behoren.

Zij stelde cassatieberoep in tegen het deel van de beschikking dat de aandelen betrof, maar dit oordeel was gegeven in een tussenbeschikking. Volgens de Hoge Raad kan tegen een tussenbeschikking alleen cassatieberoep worden ingesteld tegelijk met dat van de eindbeschikking, tenzij de rechter anders bepaalt. De rechtbank had wel toestemming gegeven voor tussentijds appel, maar dit houdt niet in dat ook tussentijds cassatieberoep is toegestaan.

Omdat het cassatierekest geen klachten bevatte tegen de bekrachtiging van de deelbeschikking in de echtscheidingsprocedure, maar alleen tegen het deel over de aandelen, verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Dit volgt uit vaste rechtspraak en de toepasselijke artikelen 401a en 426 Rv.

De uitspraak werd gedaan door de raadsheren Bakels, Asser, Drion en uitgesproken door Van Oven op 9 september 2011.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van toestemming voor tussentijds cassatieberoep tegen een tussenbeschikking.

Uitspraak

9 september 2011
Eerste Kamer
10/05412
DV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak met de nummers 130958/06-4206 en 133404/07-916 van de rechtbank Haarlem van 24 juni 2008, 14 juli 2009 en 17 november 2009;
b. de beschikking in de zaak met zaaknummers 200.057.068/01 en 200.057.109/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 14 september 2010.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende.
(a) Tussen de man en vrouw zijn twee afzonderlijke procedures aanhangig. De ene heeft betrekking op een verzoek echtscheiding tussen partijen uit te spreken en daarmee samenhangende verzoeken (hierna: de echtscheidingsprocedure); de andere betreft de verdeling van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap (hierna: de verdelingsprocedure).
(b) De rechtbank heeft in beide zaken op 17 november 2009 uitspraak gedaan in één beschikking. In het dictum van deze beschikking is, met betrekking tot de echtscheidingsprocedure, bepaald dat de man aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud dient te voldoen van € 410,-- per maand. Met betrekking tot de verdelingsprocedure is in het dictum de beslissing aangehouden. In de hieraan ten grondslag liggende overwegingen heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat de aan de man toebehorende aandelen in een autobedrijf niet tot het te verrekenen vermogen behoren.
(c) De vrouw heeft met toestemming van de rechtbank tegen deze beschikking beroep ingesteld. Zij verzocht in de echtscheidingsprocedure het bedrag van de bijdrage in haar levensonderhoud alsnog vast te stellen op € 4.500,--. In de verdelingsprocedure verzocht zij te bepalen dat de aandelen van de man in het autobedrijf wel degelijk tot het te verrekenen vermogen behoren.
(d) Het hof heeft, evenals de rechtbank, in beide zaken uitspraak gedaan in één beschikking, van 14 september 2010. Het bekrachtigde de beschikking waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen.
(e) De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof cassatieberoep ingesteld. De daarin naar voren gebrachte klachten hebben uitsluitend betrekking op het oordeel van het hof over de vraag of de aan de man toebehorende aandelen in het autobedrijf tot het te verrekenen vermogen behoren.
3.2 Aangezien het oordeel van het hof in de verdelingsprocedure over de zojuist bedoelde vraag uitsluitend is gegeven in de rechtsoverwegingen van de beschikking, terwijl in het dictum daarvan de beschikking waarvan beroep is bekrachtigd, waarin de beslissing is aangehouden, is de beschikking van het hof in zoverre een tussenbeschikking. Ingevolge art. 426 lid 4 in Pro verbinding met art. 401a lid 2 Rv. kan beroep in cassatie van een tussenbeschikking slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij - voor zover in dit geding van belang - de rechter anders heeft bepaald. Omdat het hof niet anders heeft bepaald, en de door de rechtbank gegeven toestemming tot tussentijds appel niet tevens toestemming tot tussentijds cassatieberoep inhoudt (HR 21 oktober 2005, LJN AU3723, NJ 2006/133), moet de vrouw niet-ontvankelijk worden verklaard in het door haar ingestelde beroep. Dit zou anders zijn indien in het cassatierekest tevens klachten waren gericht tegen de bekrachtiging door het hof van de door de rechtbank gegeven deelbeschikking in de echtscheidingsprocedure (HR 7 december 1990, LJN ZC0076, NJ 1992/85 en, voor het huidige recht (impliciet) HR 23 januari 2004, LJN AL7051, NJ 2005/510), maar het cassatierekest houdt zodanige klachten niet in.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 9 september 2011.