ECLI:NL:HR:2011:BQ3033
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de straf, met vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel niet tot cassatie kon leiden en geen nadere motivering behoefde. Het tweede middel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, vanwege het te laat inzenden van stukken door het hof in de cassatiefase. Dit middel werd gegrond verklaard, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf tot vier jaren en negen maanden.
De Hoge Raad vond geen grond voor ambtshalve vernietiging van het arrest en besloot het beroep verder te verwerpen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 29 april 2011.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot vier jaren en negen maanden wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase.