ECLI:NL:HR:2011:BQ3879

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04086
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 719 BWArt. 5:70 BW
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in burengeschil over recht van overpad

In deze zaak stond een burengeschil centraal over het recht van overpad, waarbij eiseres en verweerder tegenover elkaar stonden. De feiten en eerdere vonnissen van rechtbank en gerechtshof betroffen de uitleg en toepassing van het recht van overpad op grond van het oude art. 719 BW Pro en de artikelen 5:70 en volgende BW.

Eiseres stelde cassatieberoep in tegen de arresten van het gerechtshof te 's-Gravenhage, terwijl verweerder incidenteel cassatieberoep instelde. Beide partijen concludeerden tot verwerping van elkaars beroep. De plaatsvervangend Procureur-Generaal adviseerde tot niet-ontvankelijkverklaring voor bepaalde arresten en verwerping van het beroep voor het eindarrest.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was, omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het cassatieberoep en het incidentele cassatieberoep werden verworpen en beide partijen werden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Het arrest werd gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Van Schendel en Streefkerk en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Numann op 2 september 2011.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en het incidentele cassatieberoep en veroordeelt partijen in de kosten.

Uitspraak

2 september 2011
Eerste Kamer
09/04086
TT/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER, in cassatie, eiser in het incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. J.J. Dekker.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 270476/HA ZA 06-2605 van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 november 2006 en 19 december 2007 en de vonnissen in de zaak 293247/HA ZA 07-2551 van 10 oktober 2007 en 13 februari 2008;
b. de arresten in de gevoegde zaken 105.007.586/01 en 105.007.724/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 februari 2008, 8 mei 2008 en 19 mei 2009.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt in het principale beroep tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] voor zover het beroep is gericht tegen de arresten van het hof van 26 februari 2008 en van 8 mei 2008 en tot verwerping van het beroep voor zover het is gericht tegen het eindarrest van het hof van 19 mei 2009, en voorts in het incidentele beroep tot niet-ontvankelijkverklaring van [verweerder] voor zover het beroep is gericht tegen de arresten van het hof van 26 februari 2008 en van 8 mei 2008 en tot verwerping van het beroep voor zover het is gericht tegen het eindarrest van het hof van 19 mei 2009.
3. Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 384,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;
in het incidentele beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 2 september 2011.