ECLI:NL:HR:2011:BQ3879
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in burengeschil over recht van overpad
In deze zaak stond een burengeschil centraal over het recht van overpad, waarbij eiseres en verweerder tegenover elkaar stonden. De feiten en eerdere vonnissen van rechtbank en gerechtshof betroffen de uitleg en toepassing van het recht van overpad op grond van het oude art. 719 BW Pro en de artikelen 5:70 en volgende BW.
Eiseres stelde cassatieberoep in tegen de arresten van het gerechtshof te 's-Gravenhage, terwijl verweerder incidenteel cassatieberoep instelde. Beide partijen concludeerden tot verwerping van elkaars beroep. De plaatsvervangend Procureur-Generaal adviseerde tot niet-ontvankelijkverklaring voor bepaalde arresten en verwerping van het beroep voor het eindarrest.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was, omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het cassatieberoep en het incidentele cassatieberoep werden verworpen en beide partijen werden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Het arrest werd gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Van Schendel en Streefkerk en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Numann op 2 september 2011.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en het incidentele cassatieberoep en veroordeelt partijen in de kosten.