ECLI:NL:HR:2011:BQ3881

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02794
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot scheiding van tafel en bed met nevenvoorzieningen afgewezen door Hoge Raad

De zaak betreft een verzoek tot scheiding van tafel en bed met nevenvoorzieningen tussen een vrouw zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en een man woonachtig in Nederland. De procedure begon bij de rechtbank Amsterdam met beschikkingen in 2008 en 2009, waarna het gerechtshof Amsterdam op 6 april 2010 een beschikking uitvaardigde. De vrouw stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad verwijst voor het verloop van het geding in de feitelijke instanties naar de eerdere beschikkingen en het hofarrest. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep op grond van artikel 81 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO).

De Hoge Raad oordeelt dat de in cassatie aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en dat deze geen beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling vereisen. Daarom wordt het beroep verworpen zonder nadere motivering.

De uitspraak werd gedaan door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Van Oven en Van Schendel, waarbij Van Oven het arrest in het openbaar uitsprak op 9 september 2011.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van het hof Amsterdam blijft in stand.

Uitspraak

9 september 2011
Eerste Kamer
10/02794
DVE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. H.B.M. van Dullemen,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak met de nummers 377947/ FA RK 07-6307 en 396004/FA RA 08-2889 van de rechtbank Amsterdam van 16 april 2008 en 18 maart 2009;
b. de beschikking in de zaak 200.035.937/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 6 april 2010.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 9 september 2011.