ECLI:NL:HR:2011:BQ6118
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonheffing op ongevallenuitkering aan erfgename werknemer
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de inhouding van loonbelasting en premie volksverzekeringen over een ongevallenuitkering die zij ontving als erfgename van haar overleden echtgenoot, werknemer bij B B.V. De uitkering volgde op een ongeval buiten werktijd en buiten de uitvoering van werkzaamheden. Zowel de Rechtbank als het Hof verklaarden het bezwaar ongegrond en bevestigden de inhouding van loonheffing.
In cassatie stelde belanghebbende dat de vrijstellingsbepaling in artikel 11, lid 1, letter h, Wet LB 1964 slechts ziet op ongevallen binnen de dienstbetrekking en niet op eenmalige uitkeringen. De Hoge Raad verwierp deze uitleg, stellende dat de tekst en strekking van de wet deze beperking niet ondersteunen en dat de parlementaire geschiedenis juist ook eenmalige uitkeringen omvat.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat er geen sprake is van een ongeoorloofd verschil in behandeling met uitkeringen uit door werknemers gesloten verzekeringen. De zogenoemde omkeerregel is niet van toepassing op dergelijke uitkeringen, die niet uit de dienstbetrekking worden genoten.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees geen proceskosten toe.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de inhouding van loonheffing op de ongevallenuitkering.