Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2011:BQ7628

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04301
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67f, lid 1, AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt boetebeschikking loonheffing wegens onvoldoende grove schuld

Belanghebbende, een onderneming opgericht in mei 2004, kreeg voor het tijdvak 2004 een naheffingsaanslag loonheffing opgelegd met een vergrijpboete wegens het niet tijdig betalen van loonheffing over augustus en september 2004. De Inspecteur had geen aangiftebiljet voor deze maanden verstrekt, ondanks verzoeken van belanghebbende. Na een boekenonderzoek werd de boete opgelegd.

De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigde de boetebeschikking. Het Hof vernietigde op zijn beurt de uitspraak van de Rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, maar verminderde de boete. De Hoge Raad werd in cassatie gevraagd over de vraag of sprake was van grove schuld.

De Hoge Raad oordeelde dat hoewel de Belastingdienst nalatig was in het tijdig verstrekken van het aangiftebiljet, dit niet automatisch betekent dat belanghebbende grove schuld kan worden verweten. De Hoge Raad vond onvoldoende grondslag voor een aan opzet grenzende nalatigheid en vernietigde het arrest van het Hof, bevestigde het vonnis van de Rechtbank en bepaalde dat de Staat de griffierechten vergoedt.

Deze uitspraak benadrukt dat een vergrijpboete alleen kan worden opgelegd bij voldoende bewijs van grove schuld of opzet, en dat nalatigheid van de Belastingdienst in het verstrekken van aangiftebiljetten een belangrijke factor is in de beoordeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de boetebeschikking wegens onvoldoende bewijs van grove schuld van belanghebbende.

Uitspraak

Nr. 10/04301
10 juni 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 20 augustus 2010, nr. 09/00124, betreffende een boetebeschikking.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het tijdvak 2004 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: loonheffing) opgelegd, alsmede een boete. De boetebeschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Leeuwarden (nr. AWB 08/1307) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur alsmede de boetebeschikking vernietigd.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de boete verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende is opgericht op 11 mei 2004.
3.1.2. Aan belanghebbende is door de Inspecteur met dagtekening 25 juni 2004 een formulier "Opgaaf startende onderneming" gezonden. Belanghebbende heeft op dit formulier ingevuld dat haar onderneming vanaf 1 augustus 2004 van start is gegaan en dat zij vanaf die datum personeel in dienst heeft.
3.1.3. Belanghebbende heeft van de Inspecteur een aangiftebiljet loonheffing ontvangen voor het vierde kwartaal van 2004. Voor de maanden augustus en september 2004 is door de Inspecteur geen aangiftebiljet uitgereikt.
3.1.4. Belanghebbende heeft de Inspecteur bij brief van 25 februari 2005 tevergeefs verzocht om uitreiking van een aangiftebiljet loonheffing voor de maanden augustus en september 2004.
3.1.5. Belanghebbende heeft de verzamelloonstaat 2004 aan de Inspecteur gezonden. Daarin heeft zij ook de loon- en loonbelastingbedragen van de maanden augustus en september opgenomen.
3.1.6. Belanghebbende heeft de verschuldigde loonheffing over de maanden augustus en september 2004 in de jaarrekening 2004 vermeld als schuld op haar balans.
3.1.7. Op 8 november 2007 is door de Inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffing over de periode 1 augustus tot en met 31 december 2004. Naar aanleiding van dit onderzoek is de verschuldigde loonheffing over de maanden augustus en september 2004 van belanghebbende nageheven. Daarbij is aan haar een vergrijpboete van 25 percent opgelegd.
3.2. Voor het Hof was in geschil of het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de over de maanden augustus en september 2004 verschuldigde loonheffing niet was betaald. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daartegen richten zich de klachten.
3.3. Aan zijn in cassatie bestreden oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd de overweging dat uit de feiten volgt dat de belastingdienst nalatig is geweest in het tijdig verstrekken van het aangiftebiljet, maar dat dit niet wegneemt dat van belanghebbende een meer adequaat optreden had mogen worden verwacht. Uit dat laatste volgt echter nog niet dat bij belanghebbende sprake is geweest van een dermate grote, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid dat haar grove schuld kan worden verweten. Ook indien 's Hofs overweging wordt bezien in samenhang met de door het Hof vastgestelde feiten - die hierboven in 3.1 zijn weergegeven - blijkt niet van een toereikende grondslag voor een zodanig verwijt.
3.4. De klachten slagen derhalve in zoverre. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling. Nu uit de uitspraken van Rechtbank en Hof of de stukken van het geding niet blijkt van andere omstandigheden dan in 3.1 zijn weergegeven die kunnen bijdragen tot het aannemen van grove schuld, kan de Hoge Raad de zaak afdoen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 448, en
gelast dat de Staat aan het Hof betaalt het griffierecht ter zake van de behandeling van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ten bedrage van € 447.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en
R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2011.