ECLI:NL:HR:2011:BQ8085

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03789
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in onrechtmatige daad tegen belastingontvanger

In deze zaak vordert eiser cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin het hof de vordering van eiser tegen de Ontvanger der Rijksbelastingen wegens onrechtmatige daad heeft afgewezen. Eiser stelde dat de Ontvanger onrechtmatig had gehandeld door beslag te leggen op geld en dit niet terug te betalen.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en arresten in de procedure en overweegt dat de in cassatie aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarbij wordt op grond van artikel 81 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering overwogen dat nadere motivering niet nodig is, omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

Het arrest van het hof wordt bevestigd, het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De uitspraak is gedaan door de raadsheren onder voorzitterschap van A.M.J. van Buchem-Spapens en in het openbaar uitgesproken door E.J. Numann op 8 juli 2011.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten.

Uitspraak

8 juli 2011
Eerste Kamer
10/03789
DV/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.H.M. Meijroos,
t e g e n
DE ONTVANGER DER RIJKSBELASTINGEN,
kantoorhoudende te Breda,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Ontvanger.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 188899/HA ZA 08-793 van de rechtbank Breda van 17 december 2008;
b. het arrest in de zaak HD 200.022.699 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 maart 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Ontvanger mede door mr. C.M. Bergman, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn cassatieberoep dan wel tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 28 april 2011 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 1.751,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 8 juli 2011.