ECLI:NL:HR:2011:BQ8806
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep minderjarige die meerderjarig werd tijdens procedure
In deze zaak stond centraal de ontvankelijkheid van een cassatieberoep ingesteld door een eiser die gedurende de appelprocedure meerderjarig werd. De zaak betrof een vrijwaringsvordering die zelfstandig stond ten opzichte van de hoofdzaak. De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen van de rechtbank Amsterdam en een arrest van het gerechtshof Amsterdam.
De advocaat-generaal adviseerde tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep voor zover het was ingesteld tegen de wettelijk vertegenwoordiger van de betrokkene, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad overwoog dat de aangevoerde klachten geen cassatiegrond opleveren en dat geen nadere motivering nodig is omdat de klachten niet bijdragen aan rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en iedere partij draagt haar eigen kosten.