ECLI:NL:HR:2011:BR2348
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Beoordeling instemming verdachte met aanwijzing raadsheer-commissaris in hoger beroep
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de verdachte terecht had ingestemd met de aanwijzing van een raadsheer-commissaris die een getuige zou horen in hoger beroep. Het Hof had geoordeeld dat verdachte hiermee had ingestemd, mede gelet op het verloop van de terechtzitting en het verzoek van de raadsman.
De verdediging stelde dat zij wel had ingestemd met het horen van de getuige door een raadsheer-commissaris, maar niet met de aanwijzing van een specifiek lid van het Hof als raadsheer-commissaris. De Hoge Raad oordeelde echter dat het Hof geen onjuiste uitleg had gegeven aan artikel 316, tweede lid, Sv en dat het oordeel niet onbegrijpelijk was gezien de gang van zaken tijdens de terechtzitting.
Het tweede middel van cassatie werd niet ontvankelijk verklaard omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee het arrest van het Gerechtshof 's-Gravenhage van 30 juli 2010.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de aanwijzing van de raadsheer-commissaris door het Hof.