ECLI:NL:HR:2011:BR3044
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld en geconcludeerd dat de middelen van cassatie, behalve het derde middel, niet tot vernietiging leiden. Het derde middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
De Hoge Raad stelt vast dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, mede doordat meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef. Dit leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht jaren tot zeven jaren en acht maanden.
De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden uitspraak uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en verwerpt het beroep voor het overige. Er zijn geen andere gronden voor ambtshalve vernietiging aanwezig. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 11 oktober 2011.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeven jaren en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.