ECLI:NL:HR:2011:BR7014
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Beperkte toepassing bosbouwvrijstelling op SBL-subsidie bij landbouwbedrijf
Belanghebbende, een landbouwbedrijfshoofd met een akkerbouw- annex bosbouwbedrijf, ontving in 2002 een SBL-subsidie ter compensatie van inkomensverlies door bosaanplant op landbouwgrond. De Inspecteur stelde 20% van deze subsidie aan als inkomen uit werk en woning behorend tot het landbouwbedrijf en liet 80% vallen onder de bosbouwvrijstelling van artikel 3.11 Wet IB 2001.
De Rechtbank Leeuwarden en het Hof bevestigden deze aanslagregeling, waarbij het Hof oordeelde dat vanwege de samenhang met het landbouwbedrijf de subsidie niet volledig onder de bosbouwvrijstelling kon vallen. Belanghebbende stelde cassatie in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat de subsidie volledig vrijgesteld moest zijn omdat deze uitsluitend verband houdt met bosaanplant. De Hoge Raad overwoog dat het hogere subsidiebedrag voor landbouwbedrijfshoofden een zodanige relatie met het landbouwbedrijf impliceert dat een deel van de subsidie als inkomen uit het landbouwbedrijf moet worden beschouwd.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde daarmee de beperkte toepassing van de bosbouwvrijstelling op de SBL-subsidie.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat de SBL-subsidie niet volledig onder de bosbouwvrijstelling valt.