ECLI:NL:HR:2011:BS8235

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04760 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 467 SvArt. 476 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening veroordeling wegens verblijf als ongewenst vreemdeling na intrekking verblijfsvergunning

De Hoge Raad heeft op 13 september 2011 uitspraak gedaan in een zaak waarin herziening werd gevraagd van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage uit december 2009. De aanvrager was veroordeeld voor diefstal en het verblijven als ongewenst vreemdeling in Nederland. De herzieningsaanvraag betrof uitsluitend de veroordeling wegens het verblijf als ongewenst vreemdeling.

De aanvraag berustte op het feit dat de aanvrager niet tot ongewenst vreemdeling had kunnen worden verklaard omdat de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ten onrechte had plaatsgevonden. De Immigratie- en Naturalisatiedienst had bevestigd dat de intrekking van de vergunning in 2000 onterecht was en dat de beschikking tot ongewenstverklaring van november 2007 moest worden beschouwd als nooit gegeven.

De Hoge Raad oordeelde dat dit een omstandigheid was als bedoeld in art. 457 Sv Pro, die tot herziening kan leiden. Daarom verklaarde hij de aanvraag gegrond, schortte zonodig de tenuitvoerlegging van het arrest op en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor nieuwe berechting en beslissing, waarbij het hof de straf kan handhaven of vernietigen en de straf kan bepalen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal onderschreef dit oordeel. De Hoge Raad wees erop dat het hof, indien het op de hoogte was geweest van de intrekking van de beschikking tot ongewenstverklaring, de aanvrager waarschijnlijk zou hebben vrijgesproken van het ten laste gelegde feit van verblijf als ongewenst vreemdeling.

Uitkomst: Herzieningsverzoek gegrond verklaard en zaak verwezen naar Gerechtshof Amsterdam voor nieuwe berechting.

Uitspraak

13 september 2011
Strafkamer
nr. 10/04760 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 december 2009, nummer 22/005834-08, ingediend door mr. M.E.M. Jacquemard, advocaat te 's-Hertogenbosch, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 4 november 2008 - de aanvrager ter zake van 1. "Diefstal door twee of meer verenigde personen" en 2. "Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard" gepleegd op 17 augustus 2008 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De aanvrage heeft uitsluitend betrekking op de veroordeling ter zake van feit 2.
2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat het Hof hem zou hebben vrijgesproken indien aan het Hof bekend zou zijn geweest dat de aanvrager niet tot ongewenst vreemdeling had kunnen worden verklaard en om de reden de beschikking tot ongewenstverklaring ingetrokken zou worden.
3. De conclusie van de Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvrage vermelde uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien.
4. Beoordeling van de aanvrage
4.1. Bij brief van 31 maart 2010 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst meegedeeld dat de intrekking van de op 7 september 1983 aan de aanvrager verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op 19 juli 2000 ten onrechte heeft plaatsgevonden, dat de aanvrager geacht wordt van 7 september 1983 tot aan heden immer in het bezit te zijn geweest van een dergelijke verblijfsvergunning en dat daarom de beschikking van (de Hoge Raad leest:) 29 november 2007, waarbij de aanvrager tot ongewenst vreemdeling is verklaard, wordt ingetrokken.
4.2. Gelet op de inhoud van voornoemde brief moet de intrekking van de beschikking van 29 november 2007 in die zin worden verstaan dat die beschikking geacht moet worden nimmer te zijn gegeven.
4.3. Een en ander levert het ernstig vermoeden op dat het Hof, ware deze met de evenvermelde feiten en omstandigheden bekend geweest, de aanvrager van het hem onder 2 tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.
5. Slotsom
Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, zodat de aanvrage gegrond is en als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van
de tenuitvoerlegging van voormeld arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 december 2009;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam,
opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan teneinde hetzij het gewijsde te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan recht te doen en daarbij mede voor feit 1 op de voet van art. 476, tweede lid, Sv de straf te bepalen.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 13 september 2011.