Conclusie
het in het openbaar opruien tot enig strafbaar feit (te weten genocide), meermalen gepleegd”. Doordat de officier van justitie en de verdachte de door hen ingestelde rechtsmiddelen tegen het vonnis van 1 maart 2013 hebben ingetrokken, is de veroordeling onherroepelijk geworden.
Een ‘gegeven’ in de zin van art. 457, eerste lid, onder c, Sv?
feitelijkeomstandigheid’ naar ‘een (nieuw) gegeven’. De raadsman vermag niet in te zien waarom naast gewijzigde deskundigeninzichten over reeds bekende feiten, niet ook gewijzigde inzichten over het Nederlanderschap van de veroordeelde binnen het bereik van het verruimde novumbegrip zouden kunnen vallen.
isgetrouwd of niet, hij
isNederlander of niet, hij
isongewenst vreemdeling of niet. Dat iemand in werkelijkheid geen echtgenoot, Nederlander, of ongewenst vreemdeling is, doch hooguit in onze rechtsorde als zodanig heeft
te gelden, is een visie die niet overeenstemt met onze beleving van het een en ander.
inherziening kan uitmonden, zou de verzoekster eventueel alsnog weer in aanmerking kunnen komen voor het Nederlanderschap. Indien aangevraagd en verkregen staat de weg naar hernieuwde vervolging voor opruiing tot genocide weer open. De ne-bis-in-idem-bepaling van art. 68 Sr Pro snijdt die weg immers niet af. Het behoeft geen betoog dat een dergelijke, repeterende gang van zaken onwenselijk is.
Een causaal verband tussen het ‘gegeven’ en de uitspraak
met de kennis van nu”. De vooropstelling van de materiële waarheid noopt daartoe. [12]
ex tuncbeoordeeld. De aanwending van dwangmiddelen wordt immers niet onrechtmatig als achteraf blijkt dat het redelijke vermoeden van schuld niet kan worden bevestigd, net zo min als dat de toepassing van dwangmiddelen alsnog rechtmatig wordt indien zonder redelijke verdenking maar met succes is opgetreden. Kennis achteraf is dus niet beslissend. Geoordeeld wordt naar de situatie die zich voordeed op het moment van aanwending van de bevoegdheid.
nietmee dat de regel
vanafhet verleden wordt toegepast, doch slechts dat de rechtsregel vanaf de inwerkingtreding ervan wordt toegepast op het verleden?
De hypothetische rechter en het hypothetische proces in herziening
behorente doen. Doordat niet relevant is hoe de veroordelende rechter gevonnist zou hebben wanneer de bedoelde omstandigheid hem persoonlijk bekend zou zijn geweest, wordt dus geabstraheerd van de persoon van de rechter die de veroordeling heeft uitgesproken. Naar mijn inzicht kon om die reden de publieke uitlating van één der raadsheren van een meervoudige strafkamer van een gerechtshof, namelijk “
Als ik dit alles destijds had geweten, waren mijn twijfels dusdanig toegenomen dat ik geen gebruik had willen maken van de belastende verklaringen van de[getuige]
en was er geen "unanimiteit" tot stand gekomen,” wel een opmerkelijk unicum, maar geen novum teweegbrengen. [17]
inherziening (dat wil zeggen: na verwijzing door de Hoge Raad) alsnog adequaat gebruik maken van de bevoegdheden die hun in artikel 313 Sv Pro zijn toegekend, zulks uiteraard met inachtneming van de grenzen van artikel 68 Sr Pro. [18] Onvolkomenheden in de tenlastelegging of bijkomstigheden die uit de bewezenverklaring kunnen worden weggedacht spelen bij de inschatting van het toekomstige verloop van het geding in herziening daardoor geen rol van betekenis. Hetgeen als novum wordt voorgedragen moet doordringen tot de kern van de zaak. Kortom, de Hoge Raad stelt op de grondslag van het als novum aangevoerde gegeven een prognose over de uitkomst van het geding in herziening dat wordt gevoerd ten overstaan van een modelrechter. Het gaat daarbij om het inschatten van de waarschijnlijkheid van de door de aanvrager verlangde uitspraak in het latere, volwaardige geding, waarin het als novum gepresenteerde gegeven aan alle procespartijen bekend is. [19]
De Wet internationale misdrijven
alledelicten die worden bestreken door art. 3 Wim Pro, dus met inbegrip van de in het tweede lid daarvan omschreven opruiing tot genocide, alsook met inbegrip van de in art. 1, vierde lid, Wim bedoelde opruiing (art. 131 Sr Pro) voor zover dat het misdrijf van art. 3 Wim Pro betreft. Aangezien de delictsomschrijving van art. 3, eerste lid, Wim overeenstemt met de delictsomschrijving van art. 1 Uitvoeringswet Pro genocideverdrag, bestrijkt het bepaalde in art. 21, vierde lid, Wim dus ook retrospectief deze laatstbedoelde strafbaarstelling.
nietbesluiten tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Aldus beschouwd heeft de aanvraagster daardoor evenmin enig rechtens te respecteren belang bij de toewijzing van het herzieningsverzoek.