ECLI:NL:HR:2011:BT1857
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep wegens niet-overschrijding redelijke termijn in strafzaak
In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De Hoge Raad heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld en geconcludeerd dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden. Een belangrijk punt van het beroep was de vermeende overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, met name in de cassatiefase door te late inzending van stukken door het hof.
De Hoge Raad overwoog dat de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep is afgedaan, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate is gecompenseerd. Hierdoor is er geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in de totale duur van de cassatiebehandeling. Het middel faalt daarom en het beroep wordt verworpen.
De uitspraak is gedaan door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en is uitgesproken op 8 november 2011. De Advocaat-Generaal had reeds geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Het arrest bevestigt de rechtspraak van het hof en draagt bij aan de rechtsontwikkeling omtrent de toepassing van de redelijke termijn in cassatieprocedures.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.