Conclusie
Nummer18/05409
middelklaagt over de bewijsmotivering. Alvorens het middel te bespreken geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, een deel van de pleitnota en ’s hofs bewijsoverweging weer. Ook ga ik kort in op rechtspraak van Uw Raad inzake poging tot zware mishandeling en de verkeerscontext waarin dit feit is gepleegd.
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen, bewijsverweer en bewijsoverweging
.
verklaring van [benadeelde] ,zakelijk weergegeven:
Ik zag dat er achter het muziekkorps een aantal auto’s langzaam moest rijden.
verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:
relaas van verbalisanten,zakelijk weergegeven:
relaas van verbalisanten,zakelijk weergegeven:
verklaring van [getuige 3], zakelijk weergegeven:
verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
En die man, bleef hij staan of liep hij naar achter?
Kun je schatten hoeveel meter hij heeft “meegelift" op de motorkap?
verklaring van verdachte,zakelijk weergegeven:
verklaring van [getuige 1] ,voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Poging tot zware mishandeling; de verkeerscontext
NJ2012/503 m.nt. Keulen overwoog Uw Raad: ‘De enkele door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de verdachte onder de uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheden opzettelijk een glas in de richting heeft gegooid van (één van) de personen die volgens hem ruzie maakten, vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.’ [3] Van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is in beginsel wel sprake als de verdachte het slachtoffer in het gezicht slaat met een hand waarin hij een glas heeft; dat ligt echter anders als het hof het voor mogelijk houdt dat de verdachte zich niet bewust was van dat glas (HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1062). [4]
Het middel
eerstedeelklacht is dat de ervaringsregel die het hof formuleert voor de verdachte uit de lucht zou komen vallen en speculatief zou zijn. Daarmee doelt de steller op ’s hofs overweging dat naar algemene ervaringsregels de kans groot is ‘dat het slachtoffer in een dergelijke situatie ongecontroleerd ten val komt op de harde ondergrond van de weg, ten gevolge waarvan één of meer lichaamsdelen onder de wielen van de auto kunnen belanden, hetgeen in de gegeven omstandigheden - mede gelet op het gewicht van een personenauto als waar het hier om gaat - een reëel, niet onwaarschijnlijk risico met zich brengt op het oplopen van zwaar lichamelijk letsel.’ Iemand die op een vlak oppervlak zit, kan daar volgens de steller ‘normaal gesproken zonder problemen op blijven zitten, ook wanneer dat oppervlak zich voortbeweegt’. Dat wordt pas anders als de betrokkene ‘vreemde capriolen maakt’ of ‘het bewegende oppervlak onverwachts en heftig beweegt’.
tweededeelklacht van het middel is dat de bewijsmiddelen onvoldoende inhouden voor het oordeel dat de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel willens en wetens heeft aanvaard. De steller van het middel is blijkens de toelichting op het middel van oordeel dat het hof zich had moeten afvragen of de verdachte enig inzicht heeft gegeven in hetgeen ten tijde van de gedraging in hem is omgegaan en dat heeft het hof, zo begrijp ik de steller, nagelaten.
NJ2003/552 m.nt. Buruma heeft geformuleerd: