ECLI:NL:HR:2011:BT1862

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00428 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 lid 4 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigenArt. 457 SvArt. 467 lid 1 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens eerdere veroordeling voor dezelfde overtreding aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen

De aanvrage tot herziening betreft een vonnis van de Kantonrechter te 's-Gravenhage van 26 oktober 2010, waarbij de aanvrager is veroordeeld voor overtreding van artikel 30 lid 4 van Pro de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. De veroordeling bestond uit een geldboete van €310,-, subsidiair zes dagen hechtenis, en verbeurdverklaring van een inbeslaggenomen oranje minibike.

De aanvrage tot herziening is gebaseerd op de stelling dat de aanvrager reeds eerder is veroordeeld voor hetzelfde feit, hetgeen een omstandigheid is als bedoeld in artikel 457, eerste lid, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafvordering. De Advocaat-Generaal concludeerde dat de aanvrage gegrond moet worden verklaard, en dat de tenuitvoerlegging van het vonnis opschorting of schorsing verdient.

De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart de aanvrage tot herziening gegrond. Tevens beveelt de Hoge Raad, voor zover nodig, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de Kantonrechter. De zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor herbehandeling en afdoening conform artikel 467, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvrage tot herziening gegrond en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

1 november 2011
Strafkamer
nr. 11/00428 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 26 oktober 2010, nummer 09/095124-09, ingediend door mr. H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, namens:
[Aanvrager] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Kantonrechter heeft de aanvrager ter zake van "overtreding van het bepaalde in artikel 30 lid 4 Wet Pro aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen" veroordeeld tot een geldboete van € 310,-, subsidiair zes dagen hechtenis, met verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen oranje minibike, type Dirtbike.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat hij reeds eerder is veroordeeld voor hetzelfde feit.
3. De conclusie van de Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvrage vermelde uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien.
4. Beoordeling van de aanvrage
Op de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie genoemde gronden moet de door de aanvrager gestelde omstandigheid worden aangemerkt als een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrage is dus gegrond.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 26 oktober 2010;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 1 november 2011.