ECLI:NL:HR:2011:BT1865
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte in cassatie wegens ontbreken schriftuur houdende middelen
Op 22 november 2011 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 27 januari 2010. Verdachte had het cassatieberoep ingesteld, maar heeft geen schriftuur houdende middelen van cassatie door een raadsman binnen de wettelijk voorgeschreven termijn ingediend.
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd dat verdachte niet-ontvankelijk verklaard moest worden vanwege het niet naleven van art. 437, tweede lid, Sv. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verklaarde verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president van de Hoge Raad, A.J.A. van Dorst, als voorzitter, samen met raadsheren M.A. Loth en Y. Buruma, en uitgesproken in aanwezigheid van de waarnemend griffier E. Schnetz.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van schriftuur houdende middelen binnen de wettelijke termijn.