ECLI:NL:HR:2011:BT2299
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- E.N. Punt
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Geen voorziening voor ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel in inkomstenbelasting
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, die na bezwaar en beroep door rechtbank en hof werd bevestigd. Het geschil betrof de vraag of belanghebbende een voorziening mocht vormen voor een toekomstige verplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof oordeelde dat er geen redelijke mate van zekerheid bestond dat deze verplichting zou ontstaan, omdat deze pas in 2000 was aangezegd en nog werd bestreden. Belanghebbende stelde dat de voorziening al gevormd kon worden zodra de wederrechtelijke voordelen waren behaald.
De Hoge Raad verwierp dit standpunt en bevestigde dat volgens artikel 8a lid 4 Wet IB 1964 een dergelijke voorziening niet eerder ten laste van de winst kan worden gebracht dan op het moment van daadwerkelijke voldoening. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; geen voorziening voor ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de winst.