ECLI:NL:HR:2011:BT6827
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vaste inrichting en verliesverrekening vennootschapsbelasting Nederland-België
De Inspecteur stelde het verlies van belanghebbende in de vennootschapsbelasting 2003 vast en weigerde vergoeding van kosten en schadevergoeding na bezwaar. Rechtbank en Hof verklaarden het beroep ongegrond en wezen vergoedingen af. Belanghebbende stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof of belanghebbende in Nederland een vaste inrichting had volgens artikel 5 van Pro het Belastingverdrag Nederland-België 2001, mede door activiteiten van haar directeur-grootaandeelhouder en de overgenomen goederen van een Belgische vennootschap.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onvoldoende gemotiveerd had geoordeeld dat belanghebbende slechts opslag van goederen had en niet beschikte over een vaste inrichting. Het Hof was voorbijgegaan aan door belanghebbende gestelde feiten, zoals het bestaan van een werkplaats voor assemblage.
Daarom vernietigde de Hoge Raad de uitspraken van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem voor een volledige herbeoordeling. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over vaste inrichting en verwijst zaak terug voor volledige beoordeling met vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.