ECLI:NL:HR:2011:BT8768
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van cassatieberoep wegens niet-indienen middelen binnen termijn
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 26 februari 2010. De verdachte heeft echter niet binnen de wettelijk gestelde termijn schriftuur houdende middelen van cassatie door een raadsman bij de Hoge Raad ingediend. Hierdoor is niet voldaan aan het vereiste van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk. Er is geen inhoudelijke beoordeling van het geschil gegeven omdat het beroep niet ontvankelijk is.
Het arrest is gewezen door de vice-president van de Hoge Raad, A.J.A. van Dorst, als voorzitter, samen met raadsheren M.A. Loth en Y. Buruma, en uitgesproken op 20 december 2011. De uitspraak bevestigt het belang van het tijdig indienen van middelen in cassatieprocedures.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.