ECLI:NL:HR:2011:BU4020

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00653
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 2 WgbzArt. 350 FArt. 6 EVRMArt. 81 ROArt. 3 lid 4 Wgbz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing griffierechten bij cassatie in schuldsaneringsregeling

In deze zaak heeft de Hoge Raad geoordeeld over de toepassing van de Wet griffierechten in burgerlijke zaken (Wgbz) in het kader van cassatieberoep tegen een beslissing tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster, een schuldenaar die onder de schuldsaneringsregeling viel, was in hoger beroep en cassatie gegaan tegen het besluit van het gerechtshof om het verzoek tot beëindiging van de regeling toe te wijzen.

De kern van de beoordeling betrof de vraag of voor het instellen van cassatie tegen een dergelijk besluit griffierecht verschuldigd is. De Hoge Raad bevestigde dat op grond van art. 4 lid 2 onder Pro i Wgbz geen griffierecht wordt geheven voor verzoekschriften tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en dat deze vrijstelling ook geldt voor cassatieberoepen tegen besluiten tot beëindiging van die regeling. Dit volgt uit de ratio van de regeling om de toegankelijkheid van de schuldsaneringsregeling te bevorderen en het recht op toegang tot de rechter zoals gewaarborgd in art. 6 EVRM Pro.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van verzoekster en verklaarde het aanvullend verzoekschrift niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De overige klachten werden niet behandeld omdat zij niet tot cassatie konden leiden. Hiermee werd bevestigd dat schuldenaren die in cassatie gaan tegen beëindiging van de schuldsaneringsregeling geen griffierecht hoeven te betalen, ondanks de termijnoverschrijding bij betaling van het griffierecht.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekster wordt verworpen en het aanvullend verzoekschrift niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

11 november 2011
Eerste Kamer
Nr. 11/00653
DV/RA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER tot cassatie,
advocaat: mr. K. Teuben.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak met het insolventienummer R 457/09 van de rechtbank Haarlem van 22 juni 2010 en 28 september 2010,
b. het arrest in de zaak 200.076.593/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 28 januari 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft een verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping en niet-ontvankelijkheid van het aanvullend verzoekschrift.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. [Verweerster] exploiteert diverse objecten op horecagebied
en financiert in het verlengde daarvan ondernemers in deze branche. [Verzoekster] heeft met financiële steun van [verweerster] achtereenvolgens drie horecaondernemingen geëxploiteerd. [Verzoekster] is op 20 oktober 2009 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. [Verweerster] is een van haar schuldeisers.
3.2 [Verweerster] heeft op de voet van art. 350 F. verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.
Het hof heeft echter bij het in cassatie bestreden arrest het verzoek toegewezen.
3.3.1 [Verzoekster] heeft bij verzoekschrift, op 7 februari 2011 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad en dus tijdig, cassatieberoep ingesteld. Zij heeft op 17 maart 2011 aan de griffie van de Hoge Raad een bedrag van € 710,-- aan griffierecht betaald. Daarmee is de termijn overschreden die in art. 3 lid 4 Wet Pro griffierechten in burgerlijke zaken (Wgbz) is voorgeschreven voor de betaling van het griffierecht dat ingevolge die wet is verschuldigd voor het indienen van een verzoekschrift.
3.3.2 Op grond van het bepaalde in art. 427b in verbinding met art. 282a lid 2 Rv. zou die termijnoverschrijding leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoekster] in haar beroep indien zij griffierecht verschuldigd zou zijn.
Dit laatste is echter niet het geval. Art. 4 lid Pro 2, aanhef en onder i, Wgbz bepaalt dat geen griffierecht wordt geheven voor de indiening van een verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen als bedoeld in art. 284 lid Pro 1 F. Deze bepaling is ook in cassatie van toepassing (HR 8 juli 2011, LJN BQ3883).
Zoals de Hoge Raad in het genoemde arrest van 8 juli 2011 heeft overwogen, is de ratio van deze bepaling het bevorderen van de toegankelijkheid van de schuldsaneringsregeling door geen onnodige financiële drempels op te werpen. Gelet op deze ratio alsmede het in art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, moet de bepaling aldus worden uitgelegd dat zij ook toepassing vindt en dat dus geen griffierecht verschuldigd is in een geval als het onderhavige waarin de persoon op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, in hoger beroep of in cassatie opkomt tegen een beslissing van de rechter op een op de voet van art. 350 F. gedaan verzoek tot beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Evenals in het geval van het genoemde arrest van de Hoge Raad geldt ook hier dat het in de regel gaat om personen die gelet op hun schuldenlast minder financiële draagkracht hebben dan bijstandsgerechtigden, en derhalve over onvoldoende financiële draagkracht beschikken om het in hoger beroep en in cassatie verschuldigde griffierecht te betalen.
3.4 De klachten in het aanvullend verzoekschrift van [verzoekster] blijven buiten behandeling aangezien dit verzoekschrift is ingediend na afloop van de daarvoor geldende termijn van acht dagen, zoals is uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8 en 9.
3.5 Voor het overige kunnen de klachten van het middel niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 11 november 2011.