ECLI:NL:HR:2011:BU8256
Hoge Raad
- Cassatie
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid dividendbelasting bij uitkering aan Canadese moedermaatschappij
Belanghebbende, een Nederlandse houdstermaatschappij met een Canadese moeder, betaalde dividendbelasting over winstuitkeringen in 2005. Na afwijzing van haar verzoeken tot teruggaaf door de Inspecteur, rechtbank en hof, stelde belanghebbende beroep in cassatie in tegen de bevestiging van deze afwijzingen.
De kern van het geschil betrof de vraag of de dividendbelasting in strijd was met het EU-recht, met name artikel 56 EG Pro (thans artikel 63 VWEU Pro) over de vrijheid van kapitaalverkeer. Belanghebbende stelde dat haar Canadese moedermaatschappij slechts een belegger was en dat het 100%-aandelenbezit niet als directe investering kon worden aangemerkt, waardoor de standstill-bepaling niet van toepassing zou zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat het 100%-aandelenbezit in een tussenholding binnen een concern duurzame en directe economische betrekkingen inhoudt, ook als de houdstermaatschappij zelf geen actieve bedrijfsvoering heeft. Hierdoor kwalificeert het bezit niet als louter belegging en is de standstill-bepaling van toepassing. De dividendbelasting vormt geen onrechtmatige beperking van de vrijheid van kapitaalverkeer.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde daarmee de eerdere uitspraken. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de dividendbelastingheffing.