ECLI:NL:HR:2012:BP3858

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00348
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet mrbArt. 7 Wet mrbArt. 11 Wet mrbArt. 13 Wet mrbArt. 18 Wet mrb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid motorrijtuigenbelasting voor buitenlandse auto in Nederland

Belanghebbende, een inwoner van Nederland, gebruikte een in Duitsland geregistreerde personenauto in Nederland zonder motorrijtuigenbelasting te betalen. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag en boete op, die na bezwaar door de Rechtbank en het Hof werden vernietigd. De Staatssecretaris stelde hiertegen cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad overwoog dat de motorrijtuigenbelasting wordt geheven over het houden van een auto, waarbij voor buitenlandse voertuigen het feitelijk ter beschikking hebben in Nederland bepalend is. De belastingplicht vangt aan bij het begin van het gebruik van de weg in Nederland en is gerelateerd aan de duur van het houderschap, met een betaling per kwartaal. Dit systeem wijkt af van een eenmalige registratiebelasting.

Het Hof had geoordeeld dat de heffing onvoldoende verband hield met het werkelijke gebruik van de weg in Nederland en daarmee in strijd was met het Europees evenredigheidsbeginsel. De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en bevestigde dat de heffing niet disproportioneel is. De naheffingsaanslag werd gegrond verklaard, maar de beslissing over de boete bleef in stand vanwege het pleitbare standpunt van belanghebbende.

De Hoge Raad achtte geen reden voor proceskostenveroordeling en sprak het arrest uit op 2 maart 2012.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting voor een buitenlandse auto in Nederland.

Uitspraak

2 maart 2012
nr. 10/00348
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 december 2009, nr. 07/00481, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het tijdvak 28 april 2005 tot en met 14 juni 2005 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, alsmede een boete. De naheffingsaanslag en de boete zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 06/3253) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, en de naheffingsaanslag en de boete vernietigd.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 25 januari 2011 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Op 15 juni 2005 is door de belastingdienst geconstateerd dat belanghebbende met een in Duitsland geregistreerde personenauto van de weg in Nederland gebruik maakte en dat voor die auto geen motorrijtuigenbelasting was voldaan. Belanghebbende was enig aandeelhouder en directeur van de in Duitsland gevestigde vennootschap A GmbH (hierna: de GmbH). De GmbH had de personenauto gehuurd in Duitsland en aan belanghebbende ter beschikking gesteld voor het verrichten van werkzaamheden in Duitsland, Nederland en België. Belanghebbende had zijn hoofdverblijf in Nederland. Ter zake van het houden van de personenauto was in Duitsland Kraftfahrzeugsteuer verschuldigd.
3.2.1. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat de onderhavige heffing kan worden getoetst aan artikel 43 EG Pro. Volgens het Hof brengt eerbiediging van het communautaire evenredigheidsbeginsel mee dat de hoogte van de belasting evenredig moet zijn aan het werkelijke gebruik van de personenauto in Nederland, wil de heffing van motorrijtuigenbelasting van belanghebbende in overeenstemming kunnen zijn met artikel 43 EG Pro.
3.2.2. Naar 's Hofs oordeel houdt het systeem van heffing van de motorrijtuigenbelasting onvoldoende verband met het werkelijke gebruik van de weg in Nederland om te voldoen aan het hiervoor in 3.2.1 bedoelde beginsel. Het middel richt zich tegen dat oordeel.
3.3.1. Het middel slaagt. De motorrijtuigenbelasting wordt ingevolge de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet), voor zover thans van belang, geheven ter zake van het houden van een personenauto. Voor een in het buitenland geregistreerde personenauto geldt als houden in voormelde zin het feitelijk ter beschikking hebben van de personenauto in Nederland. De verschuldigdheid van motorrijtuigenbelasting is gerelateerd aan de duur van het houderschap, met dien verstande dat de belasting per drie maanden moet worden voldaan. Daardoor onderscheidt de motorrijtuigenbelasting zich van een eenmalige registratiebelasting. Voor een in het buitenland geregistreerde personenauto vangt de belastingplicht aan bij het begin van het feitelijke gebruik van de weg in Nederland (zie voor dit een en ander de artikelen 1, 7, 11 en 13 van de Wet). In geval een belastingplichtige een in het buitenland geregistreerde personenauto voor kortere tijd dan drie maanden ter beschikking heeft, kan deze over het nog niet verstreken deel van dat tijdvak op grond van artikel 18 van Pro de Wet aanspraak maken op teruggaaf van de belasting.
Op grond van het voorgaande kan de heffing van motorrijtuigenbelasting van een inwoner van Nederland ter zake van een niet in Nederland geregistreerde personenauto waarmee van de weg in Nederland gebruik wordt gemaakt, niet als een met het unierecht strijdige disproportionele heffing worden beschouwd.
3.3.2. In het onderhavige geval bood artikel 34 van Pro de Wet de Inspecteur geen bevoegdheid tot naheffing omdat voor de personenauto een - zij het een Duits - kenteken is afgegeven (zie punt 6.17 van de conclusie van de Advocaat-Generaal). Onbetwist is dat belanghebbende met de onderhavige auto sedert 28 april 2005 van de weg in Nederland gebruik heeft gemaakt. Daarvan uitgaande kwam deze bevoegdheid tot naheffing de Inspecteur toe op grond van artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.4. Gelet op het hiervoor in 3.3.1 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3.5. Voor zover het beroep in cassatie zich mede richt tegen de beslissing van het Hof met betrekking tot de boete, kan het niet tot cassatie leiden. Aangezien het Hof belanghebbende op rechtskundige gronden in het gelijk heeft gesteld, moet het ervoor worden gehouden dat belanghebbende een pleitbaar standpunt heeft ingenomen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof en van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de boetebeschikking, de proceskosten en het griffierecht, en
verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur met betrekking tot de naheffingsaanslag ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2012.