ECLI:NL:HR:2012:BU4275
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Vermindering van ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde het cassatieberoep in tegen het opgelegde bedrag.
De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel, dat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte, niet tot cassatie kon leiden. Het tweede middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, vanwege te late indiening van stukken door het hof en de lange duur van het cassatieproces.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden en besloot daarom het bedrag van de ontneming te verminderen van € 8.000,- naar € 7.200,-. Voor het overige werd het beroep verworpen. De uitspraak werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 17 januari 2012.
Uitkomst: Het opgelegde bedrag aan ontneming wordt verminderd tot € 7.200,- wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.