ECLI:NL:HR:2012:BV3103
Hoge Raad
- Cassatie
- E.J. Numann
- J.C. van Oven
- F.B. Bakels
- W.D.H. Asser
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Niet-vernietigbaarheid verrekenbeding uit huwelijkse voorwaarden bij echtscheiding
De vrouw en de man zijn in 1986 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een jaarlijks verrekenbeding van overgespaard inkomen, waarbij geen verrekening tijdens het huwelijk heeft plaatsgevonden. In 2003 sloten zij een onderhandse akte waarin zij overeenkwamen bij echtscheiding het vermogen gezamenlijk te verrekenen alsof sprake was van een algehele gemeenschap van goederen. Na ontbinding van het huwelijk in 2007 sloten partijen aanvullende overeenkomsten tot finale verrekening van hun vermogensbestanddelen.
De vrouw stelde dat de overeenkomst van 2003 nietig was wegens vormgebreken en dat daarop voortbouwende overeenkomsten uit 2007 vernietigbaar waren. Het hof oordeelde dat deze overeenkomsten als echtscheidingsconvenant konden worden aangemerkt en dat de regeling voor voortbouwende overeenkomsten uit artikel 6:229 BW Pro niet van toepassing was op verrekening van vermogen bij echtscheiding.
De Hoge Raad bevestigde dat de algemene regels voor verrekenbedingen uit Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek ook van toepassing zijn op bij echtscheiding overeengekomen verrekeningen en dat artikel 3:199 BW Pro (uitsluiting dwaling) niet beperkt is tot dwaling over waarde, maar ook ziet op het bestaan van een gemeenschap. Het beroep van de vrouw werd verworpen, en iedere partij draagt haar eigen kosten.
Uitkomst: Het beroep van de vrouw wordt verworpen en de overeenkomsten tot verrekening bij echtscheiding zijn niet vernietigbaar op grond van artikel 6:229 BW.