ECLI:NL:HR:2012:BV7077

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00578
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 353 SvArt. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens ontbreken beslissing over inbeslaggenomen voorwerpen

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. Het middel klaagt terecht dat het hof heeft nagelaten een beslissing te nemen over de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals vereist op grond van art. 353 Sv Pro. De Advocaat-Generaal adviseerde vernietiging van het arrest voor dit onderdeel en verwijzing naar het hof voor hernieuwde behandeling.

Daarnaast werd geklaagd over overschrijding van de inzendtermijn van stukken door het hof, wat zou leiden tot een schending van het recht op een redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro. De Hoge Raad oordeelt echter dat doordat de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep is afgedaan, deze overschrijding voldoende gecompenseerd wordt en er geen sprake is van een schending van de redelijke termijn.

Het beroep wordt voor het overige verworpen. De Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend voor zover het geen beslissing bevat over de inbeslaggenomen voorwerpen en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling van dat onderdeel.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor het ontbreken van een beslissing over inbeslaggenomen voorwerpen en terugverwezen naar het hof; het beroep wordt verder verworpen.

Uitspraak

28 februari 2012
Strafkamer
nr. S 11/00578
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 4 januari 2011, nummer 21/000440-10, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Veenhuizen, locatie Groot Bankenbosch" te Veenhuizen.
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend voor zover daarin geen beslissing is genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen, tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het derde middel
Het middel klaagt terecht dat het Hof heeft nagelaten op de voet van art. 353 Sv Pro een beslissing te nemen met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen.
4. Beoordeling van het vierde middel
4.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
4.2. Nu de Hoge Raad de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan - wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie - niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
4.3. Het middel faalt derhalve.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarin geen beslissing is genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 28 februari 2012.