ECLI:NL:HR:2012:BV8199

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01963
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.92 Wet IB 2001Art. 3.94 Wet IB 2001Art. 8 Wet Vpb 1969Art. 4.6 Wet IB 2001
Verwijzingen
7 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling onzakelijke lening onder terbeschikkingstellingsregeling in inkomstenbelasting

Belanghebbende kreeg voor de jaren 2001 en 2003 navorderingsaanslagen en boetes opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Deze aanslagen betroffen onder meer de weigering van afwaardering van geldleningen verstrekt aan vennootschappen waarin belanghebbende een aanmerkelijk belang had.

De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van belanghebbende tegen de aanslagen ongegrond, en het hof bevestigde deze uitspraak. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht aannam dat belanghebbende met het verstrekken van leningen een debiteurenrisico liep dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, en dat dit risico werd aanvaard om aandeelhoudersmotieven. Daarmee waren de leningen onzakelijk en was het weigeren van afwaardering terecht.

De Hoge Raad verwierp de middelen van belanghebbende die zich tegen dit oordeel richtten, verwijzend naar eerdere arresten. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend en het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslagen blijven gehandhaafd.

Uitspraak

9 maart 2012
nr. 11/01963
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 15 maart 2011, nrs. 10/00153 en 10/00154, betreffende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking alsmede een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het jaar 2001 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd alsmede een boete, en voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de aanslag zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Arnhem (nrs. AWB 08/1235, AWB 08/1236 en AWB 08/1237) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het Hof heeft aannemelijk geacht dat belanghebbende met het verstrekken van geldleningen aan I B.V. en DD B.V. in welke vennootschappen belanghebbende een aanmerkelijk belang heeft in de zin van artikel 4.6 Wet IB 2001, een debiteurenrisico heeft gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen en dat belanghebbende dit risico heeft aanvaard om aandeelhoudersmotieven. Op grond hiervan is het Hof tot het oordeel gekomen dat sprake is van onzakelijke geldleningen en dat de Inspecteur een afwaardering van die leningen ten laste van belanghebbendes inkomen uit werk en woning voor de jaren 2001 en 2003 terecht heeft geweigerd.
3.2. De middelen, die zich met rechtsklachten tegen dit oordeel richten, falen op grond van hetgeen is overwogen in de arresten van de Hoge Raad van 25 november 2011, nr. 08/05323, LJN BN3442, BNB 2012/37, en van 25 november 2011, nr. 10/04588, LJN BP8952, V-N 2011/62.14.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2012.