ECLI:NL:HR:2012:BV8289
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie inzake ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 10 februari 2011, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. R.D.J. Visschers, heeft een middel van cassatie voorgesteld. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft het middel beoordeeld en geoordeeld dat het niet tot cassatie kan leiden. Gezien artikel 81 van Pro het Wetboek van Strafvordering is geen nadere motivering vereist omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarmee heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en het arrest van het Gerechtshof in stand gelaten. De uitspraak is gedaan door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, samen met raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, en uitgesproken op 27 maart 2012.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof blijft in stand.