ECLI:NL:HR:2012:BV9868

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01140
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst woonruimte wegens door huurder veroorzaakte overlast

In deze zaak stond de ontbinding van een huurovereenkomst van woonruimte centraal, waarbij de huurder door zijn gedrag overlast veroorzaakte. De kantonrechter te Breda had eerder in drie vonnissen uitspraak gedaan, gevolgd door tussenarrest en eindarrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Het hof had het verzoek tot ontbinding van de huurovereenkomst bevestigd.

Eiser, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, stelde beroep in cassatie in tegen het eindarrest van het hof. De Stichting Wonen West Brabant, als verweerster, was niet verschenen in cassatie. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van eiser reageerde.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet noodzakelijk was omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. Het cassatieberoep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding, die aan de zijde van de Stichting nihil werden begroot.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de ontbinding van de huurovereenkomst wordt bevestigd.

Uitspraak

29 juni 2012
Eerste Kamer
11/01140
EE/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
De stichting STICHTING WONEN WEST BRABANT,
gevestigd te Bergen op Zoom,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Stichting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 475959 CV EXPL 08-1009 van de kantonrechter te Breda van 16 juli 2008, 8 oktober 2008 en 4 maart 2009;
b. de arresten in de zaak HD 200.028.317 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 juli 2009 (tussenarrest) en 31 augustus 2010 (eindarrest).
Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de Stichting is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 23 maart 2012 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 29 juni 2012.