ECLI:NL:HR:2012:BW5723
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak valsheid in geschrift en verduistering
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin hij werd veroordeeld voor valsheid in geschrift en verduistering. Verdachte had in een kredietovereenkomst en bijbehorende betalingsopdracht valselijk zijn eigen bankrekeningnummer ingevuld in plaats van dat van de kredietnemer, met het oogmerk deze geschriften als echt te gebruiken.
Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte zich het bedrag van ongeveer 10.324 euro, dat via de valselijk opgemaakte documenten op zijn rekening was overgemaakt, wederrechtelijk had toegeëigend. Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsstukken, waaronder verklaringen van het slachtoffer, bankafschriften, en de eigen verklaringen van verdachte.
Het cassatiemiddel klaagde onder meer dat het hof ten onrechte strafbare verduistering had vastgesteld, omdat het geldbedrag al door een misdrijf onder verdachte was gekomen. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof voldoende en juiste motivering had gegeven voor de bewezenverklaring en dat het middel faalde bij gebrek aan feitelijke grondslag.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee het arrest van het hof. De uitspraak werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 3 juli 2012.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor valsheid in geschrift en verduistering.