ECLI:NL:HR:2012:BW7156
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale aftrekbaarheid kosten bij ontneming wederrechtelijk voordeel
Belanghebbende werd veroordeeld wegens leidinggeven aan een criminele organisatie die zich bezighield met drugshandel. Naar aanleiding van een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek werd een ontnemingsvordering ingesteld voor een bedrag van ruim € 2,7 miljoen, dat in hoger beroep werd verlaagd tot circa € 327.000.
De Inspecteur stelde op basis van een boekenonderzoek de te corrigeren winst over de jaren 2001 tot en met 2004 vast op ruim € 2,6 miljoen. Belanghebbende had voor 2001 en 2002 aangiften ingediend zonder rekening te houden met het wederrechtelijk voordeel en voor 2003 en 2004 geen aangifte gedaan. De Inspecteur corrigeerde de winst en liet een voorziening toe ter hoogte van het ontnomen voordeel.
Het hof oordeelde dat de kosten en lasten die verband houden met het misdrijf terecht niet in aftrek waren toegelaten, waarbij het hof zich baseerde op de wetsgeschiedenis die samenloop van belastingheffing en niet-aftrekbaarheid aanvaardt. De A-G stelde echter dat art. 3.14 Wet IB 2001 slechts van toepassing is voor zover het wederrechtelijk voordeel niet wordt ontnomen, en concludeerde dat het hof een verkeerde rechtsopvatting had gehanteerd. De conclusie strekte tot gegrondverklaring van het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad concludeert dat de niet-aftrekbaarheid van kosten slechts geldt voor het niet-ontnomen wederrechtelijk voordeel en vernietigt het oordeel van het hof.