ECLI:NL:HR:2012:BW9355
Hoge Raad
- Cassatie
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- J. Wortel
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase
Op 30 oktober 2012 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 maart 2011. De verdachte, die ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd was, had beroep in cassatie ingesteld tegen zijn veroordeling. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraak uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en verminderde deze van drie jaar en zes maanden naar drie jaar en vier maanden. De overige onderdelen van het beroep werden verworpen. De middelen van het cassatieberoep konden niet tot cassatie leiden en behoefden geen nadere motivering.
Ambtshalve oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden doordat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot de vermindering van de straf. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: De gevangenisstraf is ambtshalve verminderd tot drie jaar en vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.