ECLI:NL:HR:2012:BW9799
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Th. Groeneveld
- Rechtspraak.nl
Geen schending discriminatieverbod bij ongelijke fiscale behandeling pensioenen en lijfrenten
Belanghebbende, die samen met zijn echtgenote een adviesbureau exploiteert, bracht in zijn aangifte inkomstenbelasting 2006 lijfrentepremies in aftrek. De Inspecteur stond deze aftrek slechts toe binnen de grenzen van de jaarruimte en reserveringsruimte zoals bepaald in artikel 3.127 Wet IB 2001. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag, dat werd gehandhaafd. Vervolgens stelde hij beroep in bij de rechtbank, die zich onbevoegd verklaarde. Het Hof vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. Hij voerde aan dat het fiscale regime voor lijfrenten ondernemers fiscaal benadeelt ten opzichte van werknemers, wat een verboden ongelijke behandeling inhoudt op grond van artikel 26 IVBPR Pro, artikel 14 EVRM Pro en het Twaalfde Protocol bij het EVRM. De Hoge Raad overwoog dat de parlementaire toelichting bij de Wet IB 2001 aangeeft dat de verschillen tussen werknemers en andere belastingplichtigen zoals ondernemers een redelijke grond hebben.
Daarom is er geen sprake van discriminatie en faalt het betoog van belanghebbende. De overige klachten leiden niet tot cassatie. De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; geen schending discriminatieverbod bij beperking aftrek lijfrentepremies.