ECLI:NL:HR:2012:BX4102

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00026
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 24 SrArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling motivering geldboete bij medewegen tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

In deze cassatieprocedure heeft de verdachte beroep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie en het bewegen tot prostitutie. Het hof legde een gevangenisstraf van een jaar en negen maanden en een geldboete van € 25.000,- op, waarbij rekening werd gehouden met de draagkracht van de verdachte en zijn beperkte aandeel in de feiten.

De kern van het cassatieberoep betrof de motivering van de opgelegde geldboete. De verdediging stelde dat de strafrechter bij het bepalen van de hoogte van de boete rekening moest houden met de mogelijkheid dat een toekomstige vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zou leiden tot toewijzing, en dat de rechter moest motiveren waarom een dergelijke ontneming de verdachte niet onevenredig zou treffen.

De Hoge Raad verwierp deze stellingen en oordeelde dat deze opvattingen geen steun vinden in het recht. Gezien de strafmotivering en de factoren die het hof heeft betrokken, waaronder de draagkracht van de verdachte, is de oplegging van de geldboete toereikend gemotiveerd. Het beroep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de opgelegde geldboete van € 25.000,- en gevangenisstraf van 1 jaar en 9 maanden.

Uitspraak

11 september 2012
Strafkamer
nr. S 11/00026
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 20 december 2010, nummer 21/003009-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het in de schriftuur onder 6 voorgestelde middel
2.1. Het middel klaagt dat de motivering van de opgelegde geldboete van € 25.000,- niet zonder meer begrijpelijk is.
2.2. Het Hof heeft de verdachte ter zake van de voortgezette handeling van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (feiten 3A en 3B) en - kort gezegd - een ander bewegen tot prostitutie (feit 1A) veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar en negen maanden alsmede een geldboete van € 25.000,-, subsidiair 160 dagen hechtenis. Het Hof heeft deze straf als volgt gemotiveerd:
"Uit het voorgaande vloeit voort dat verdachte ten koste van de belangen persoonlijk financieel gewin heeft nagestreefd. Het hof acht uit een oogpunt van vergelding en preventie in verband met het onder 3A en 3B bewezen verklaarde feit - en dus ongeacht een mogelijke veroordeling van verdachte tot betaling van een bedrag dat strekt tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel - met toepassing van art. 9, derde lid, Sr naast oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegging van een geldboete geboden. Bij de bepaling van de hoogte heeft het hof rekening gehouden met het beperkte aandeel van verdachte in de mensenhandel met betrekking tot [betrokkene 3] en het aandeel van verdachte in de criminele organisatie. Het heeft voorts op de voet van art. 24 Sr Pro rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte niet in staat is de boete te betalen."
2.3. Het middel steunt blijkens de daarop gegeven toelichting in de eerste plaats op de opvatting dat de strafrechter bij het bepalen van de hoogte van de geldboete die hij overweegt op te leggen, rekening dient te houden met de mogelijkheid dat een eventueel in te stellen vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel leidt tot toewijzing van die vordering. In de tweede plaats steunt het middel op de opvatting dat de rechter reeds bij het bepalen van de hoogte van de geldboete moet motiveren waarom een (mogelijke) toekomstige ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verdachte niet onevenredig zal treffen in zijn inkomen of vermogen.
2.4. Beide opvattingen vinden geen steun in het recht. Gelet op de doeleinden die in dit geval door het Hof blijkens zijn strafmotivering zijn beoogd met de opgelegde geldboete en de factoren die het Hof heeft betrokken bij het bepalen van de hoogte van de boete, waaronder ook de draagkracht van de verdachte, is de oplegging van de geldboete toereikend gemotiveerd.
2.5. De klacht faalt.
3. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 11 september 2012.